Stotteren op school

Scholenpakketten voor kleuter-, lager- en secundair onderwijs

Binnen de sector van het onderwijs en aanverwante instellingen merkten wij een grote belangstelling en behoefte aan informatie over stotteren op school.

Hoe herkent men stotteren en stottergedrag bij kinderen van verschillende leeftijden?
Wat zijn de symptomen die kunnen wijzen op mogelijke problemen?

Deze scholenpakketten zijn slechts een eerste hulpmiddel voor leerkrachten, begeleiders en zorgpersoneel en bevat algemene tips.

Deze pakketten hebben een dynamisch karakter en zullen regelmatig een update krijgen.
Ook zal er worden bekeken of er in een latere fase ook videofragmenten kunnen worden
toegevoegd.

Hoewel dit met de grootste zorg is samengesteld, spreekt het echter voor zich dat
individuele verschillen en/of onvolledigheden niet uitgesloten zijn.

Eventuele aanvullingen/opmerkingen mogen steeds aan BSV worden doorgestuurd.
Wij bieden tevens de mogelijkheid trainingen/workshops te organiseren en staan graag open
voor initiatieven en samenwerkingsverbanden hieromtrent.

Indien u meer info wenst, gelieve ons te contacteren via info@belgische-stottervereniging.be of op het telefoonnummer 0475/53 68 61


EEN KIND DAT STOTTERT IN JE KLAS, WAT NU ?


Om te weten hoe je een kind dat stottert kunt helpen, is het belangrijk stotteren te ‘begrijpen’.

Wat is stotteren?
Stotteren is een stoornis in de timing van spraakbewegingen. Tweehonderd spieren moeten ‘op het juiste moment de juiste beweging maken’.
Stotterende sprekers blijken een ‘wankel’ timing-systeem te hebben: de zeer complexe en snelle spraakbewegingen starten geregeld te vroeg of te laat.
Spreken is de meest ingewikkelde handeling die een mens uitvoert. Het is dus niet verwonderlijk dat sommige kinderen daarvoor een mindere aanleg voor hebben, zoals sommige anderen stuntelig bewegen.
Als het spraaksysteem (via een inwendig feedbacksysteem) bemerkt dat een beweging van tong, lippen, stembanden of ademhaling te vroeg of te laat is ingezet, probeert het tijdens de spraak bij te sturen. Herherherhalingen of vvvvvvvverlllllengingen zijn het gevolg.


1.1. Kernstotteren
De hoorbare herstelpogingen die al sprekend gebeuren, noemen we kernstotteren. Deze herhalingen en verlengingen vormen immers de kern van het probleem. Ze zijn het signaal voor beginnend stotteren. Deze haperingen wijken merkbaar af van wat we ‘normale onvloeiendheden’ noemen: af en toe een pauze, ‘eh’ zeggen, een woord opnieuw zeggen…
Het is duidelijk dat kernstotteren écht anders klinkt.
Uit onderzoek blijkt dat vrijwel iedereen, deskundig of leek, jong of oud, dadelijk het verschil hoort tussen kernstotteren en normale onvloeiendheden.
Kernstotteren gaat buiten de wil om, het is een biologisch probleem dat 5% van de kinderen heeft. Bij het grootste deel van die groep gaat het stotteren na verloop van tijd over, vooral omdat het timingssysteem verbetert door rijping.
Dan blijft er nog 1% over: kinderen die blijven stotteren. Chronisch stotteren wordt dat genoemd. Het is geen ramp maar het kan wel erger worden.

1.2. Reacties
Als ons mensen iets overkomt wat we eigenlijk kost wat kost willen voorkomen, ontstaat er stress. Als iets – buiten onze macht om – lijkt te gaan mislukken, voelen we ons machteloos. Als we het belangrijk vinden om niet te stotteren terwijl het toch gebeurt, creëren we spanning.
Er ontstaat ook spanning als we zien dat de luisteraar geen gehaper wil horen of als we op het ene moment vloeiend kunnen spreken en op het andere moment erg stotteren.
We weten dat er drie typische manieren zijn om op stress te reageren: vechten, vluchten of bevriezen


1.2.1. Vechtend stotteren
Een kind dat vechtend stottert, heeft
het gevoel dat stotteren niet mag.
In plaats van rustig de herhalingen en
verlengingen te laten komen, zal het
kind kracht gebruiken om niet te stotteren.
In de stem kan kracht gestopt worden,
zodat die stem harder of hoger zal klinken,
rauwer wordt of zal blokkeren (stil vastzitten).
Die kracht kan bijvoorbeeld ook zitten in
armen of benen : soms stampt een kind
met de voeten terwijl het stottert.


1.2.2. Vluchten voor het stotteren
Sommige mensen ontvluchten het liefst stress. Dat is niet juist of fout,
het is gewoon zo.
Een kind gaat vaak heel nadrukkelijk vermijden: het praat niet meer of veel minder. Zo’n kind kan zeggen dat het iets niet (meer) weet, gewoon om niet te moeten antwoorden op een vraag. Soms kiest het andere woorden, wat al op heel jonge leeftijd kan beginnen. Zo probeerde een kind van tweeëneenhalf jaar een tekening van een olifant te benoemen: “O,o,o,o, beestje !”

1.2.3. Bevriezen in het stotteren
Sommige kinderen ‘bevriezen’
‘verstijven’ in geval van stress.
Wie schrikt, is door de schrik
verdoofd, verstijfd.
Bij stotterschrik zijn er
kinderen die ‘bevriezen’ door
de stotter heel lang aan te
houden. Ze duwen het er niet
uit, ze vermijden ook niet, ze
laten het heel lang duren.
Zo’n kind heeft het gevoel niets
te kunnen doen aan het stotteren.

Wat zijn uitlokkende factoren?
In veel gevallen ontstaat stotteren door een samenspel van de zwakke timing en factoren die het stotteren uitlokken.
Die factoren zijn niet de oorzaak van stotteren. Het zijn meer ‘uitlokkers’, dé aanleiding om te stotteren.
Dergelijke aanleidingen kunnen we in drie groepen verdelen:

  •  snelheidsfactoren
  •  spanningsfactoren
  •  belemmeringen


2.1. De factor snelheid
2.1.1. Spreeksnelheid
Het is een feit dat,
als stotterende kinderen hun tempo
vertragen, ze vloeiender spreken.
Kinderen met een lichte timingstoornis
moeten maar een klein beetje te
vertragen en het stotteren is weg.
Kinderen met een ernstige timings-
stoornis moeten veel meer vertragen
maar ook zij kunnen met trager
spreken vloeiend

2.1.2. Communicatiesnelheid
Sommige mensen communiceren heel rustig. Dit wil zeggen dat ze anderen laten uitspreken, en pauze laten en dan pas hun beurt nemen om te zeggen wat zij willen opmerken. Anderen communiceren eerder gejaagd, ze praten snel, onderbreken de spreker om hun mening te geven, laten weinig pauzes.
Een hoge communicatiesnelheid zet stotterende kinderen onder druk. Het verplicht hen om hun spreeksnelheid te verhogen en hun beurt om te spreken ‘op te eisen’. Je kan het vergelijken met een autobestuurder die met zijn wagen probeert een drukke baan op te rijden en elke keer moet afwegen of hij nu gas zou geven om ertussen te geraken of beter zou wachten tot de volgende kans maar daardoor misschien niet meer aan de beurt komt.

2.2. De factor spanning
De spraak van een stotterend kind is gevoeliger voor spanning dan die van een niet-stotterend kind. Daarom is het belangrijk om te ontdekken waar alledaagse spanning een rol speelt bij stotteren.
2.2.1. Tijdelijke spanningen
Er zijn gewoon spannende tijden in het leven van kinderen zoals de geboorte van een zusje of broertje een ziekenhuisopname, de dood van een naaste, een verjaardag, Sinterklaas, start in de kleuterschool, enz
Vaak komt er dan een stotterbui. Aan deze tijdelijke spanningen is niet zoveel te doen. Wel kan men proberen de spanningen te doseren en het kind op voorhand voorbereiden op wat er zal gebeuren.

2.2.2. Temperament
Kinderen hebben allemaal hun eigen trekken. Om er enkele te noemen :

  • intensiteit (alles intens beleven, pijn, plezier, verdriet)
  • terughoudendheid (neiging om in nieuwe situaties af te wachten)
  • vasthoudendheid (moeite met veranderen)
  • perfectionisme


Deze trekken zijn heel stabiel in een mensenleven. Ze zijn ingebakken, ze zijn heel eigen aan de persoon.
Vaak ontstaan spanningen door het feit dat temperamenten verschillen.
Inzicht krijgen in deze verschillen en verdraagzaamheid hiervoor bewerkstelligen, kan de spanningen reduceren.


2.2.3. Verhouding tussen capaciteiten en eisen

Soms kunnen er ook spanningen zijn door een wanverhouding tussen de capaciteiten van het kind en de vereisten vanuit de omgeving of vanuit zichzelf.
Capaciteiten zijn de mogelijkheden die we hebben om vaardigheden te ontwikkelen (bijvoorbeeld mogelijkheden om goed te leren voetballen of mogelijkheden om goed te leren puzzelen). Bepaalde mogelijkheden zijn sterk en andere zijn zwak aanwezig. Of het kind vaardig wordt in iets hangt af van de mate waarin het die mogelijkheden kan of wil ontwikkelen en of dit gestimuleerd wordt of niet.
De eisen die het kind aan zichzelf stelt of die anderen aan het kind stellen, spelen bij de ontwikkeling van zijn vaardigheden een belangrijke rol.
Als de eisen te hoog zijn in vergelijking met zijn mogelijkheden, wordt de spanning heel negatief en dan wordt het bereiken van die eisen niet haalbaar. Het kind voelt zich dan slecht. Zo mag je aan een kind dat nog maar toe is aan puzzels van 10 stukken, geen puzzel geven van 100 stukken.

Ook bij het spreken speelt de verhouding capaciteiten-vereisten een belangrijke rol.
Voorbeeld: een kind van 5 jaar is met mama en papa op reis gegaan. Het eist van zichzelf dat het in de klas tijdens de praatronde alles chronologisch kan vertellen, net zoals mama en papa. Het kan ook dat het kind aanvoelt dat anderen dit zo verwachten. In dit voorbeeld is er veel kans dat er spanning ontstaat en dat het kind op een gespannen, onvloeiende manier gaat vertellen.


2.3. Belemmeringen
Zo kunnen kinderen lichte of ernstige problemen hebben met taal en/of spraak. De woordenschat kan bijvoorbeeld te beperkt zijn. Het kind kan moeite hebben met zinsbouw of met verbuigen of vervoegen van woorden. De klankvorming kan moeilijk zijn. Als dat het enige probleem is, spreekt het kind gewoon wat minder perfect. Maar als het kind ook aanleg heeft voor timingsproblemen kan daar stotteren bijkomen.


2.3.1. Conditie
Als kinderen te moe zijn, niet lekker in hun vel zitten of problemen hebben met hun conditie, zien ze er vaak gewoon niet zo goed uit. Bij kinderen met stotteraanleg kan dat dan naar voren komen in hun spraak. Bij oorproblemen, chronische vermoeidheid of ziekte wordt het stotteren soms erger.


SAMENVATTING
Problemen met de timing van de spraakbewegingen liggen aan de basis van stotteren.
Wanneer dit kwetsbare apparaat extra wordt belast door snelheid, spanning of belemmeringen kan het begeven en ontstaan er herherherhalingen en vvvvverlengingen.
Als het kind vanuit de omgeving of vanuit zichzelf signalen ontvangt dat het door zijn stotteren ‘afwijkend’ is, zal het trachten door vechten, vluchten of bevriezen niet te stotteren.
Hierdoor neemt echter de graad van inwendige spanning sterk toe. Dit is op zijn beurt weer een extra belasting voor het kwetsbare timingsapparaat en zo is de cirkel gesloten.

Wat gebeurt er in therapie?
Bij jonge kinderen is de samenwerking met de ouders onontbeerlijk omdat kinderen veel leren uit model én omdat er ook via de ouderbegeleiding gewerkt kan worden aan de stotteruitlokkende factoren.
We leren het kind een aantal basisvaardigheden en principes zoals het (h)erkennen van gevoelens en probleemoplossend handelen.
Op basis van de gegevens van het onderzoek en de bespreking ervan met de ouders werken we in de therapie vooral op de uitlokkende factoren, specifiek voor dat kind. De stotters nemen hierdoor vaak af in frequentie en ernst.
Bij hardnekkig stotteren starten we met spreektechnieken.

Wat kun je doen aan uitlokkende factoren?

  • Vraag het kind hoe je het kan helpen bij zijn stotteren, wat het van jou verwacht. Vb “Mag ik je helpen als het woordje moeilijk komt?”
  • Onderbreek het kind niet, of het nu stottert of niet.
  • Een kind neemt niet zomaar een trager spreektempo over maar heeft wel baat bij een rustige communicatie. Wat zeker niet helpt is zeggen dat het langzaam moet praten. Vaak begrijpt het niet wat langzaam praten is en bovendien kan het een trager spreektempo niet volhouden.
  • Tijdens het kringgesprek kun je de beurtwisseling rustiger laten verlopen door b.v. te werken met een praatpop. Geef de kinderen de kans om uit te spreken.
  • Vermijd zoveel mogelijk open vragen zoals “Wat heb je in het weekend gedaan ? ” Het beantwoorden van een open vraag vereist meer op talig gebied dan het beantwoorden van een gesloten vraag vb. “Was het een leuk weekend?”. Bovendien brengt een vraag onvermijdelijk tijdsdruk met zich mee omdat er een antwoord verwacht wordt. Hierdoor kan de vloeiendheid in het gedrang komen.
  • Vermijd zoveel mogelijk het (herhaaldelijk) nadrukkelijk verbeteren van taalfouten te vermijden. Tracht eerder zelf een juist model te bieden vb. “Juf, ik heb zo hoog gespringd.” “Ah, heb jij zo hoog gesprongen?”
  • Wanneer het stotterend kind perfectionistisch is, geef je best zelf het model dat ‘foutjes maken’ mag.
  • Probeer belang te hechten aan de inzet die het kind geeft en niet enkel aan het resultaat.
  • Geef voldoende positieve reacties en complimenten.

8

Hoe reageer je op openlijk stottergedrag?
 Reageer niet anders, geef bijvoorbeeld niet méér aandacht aan het kind als het stottert dan wanneer het niet stottert.
 Breng het kind, indien nodig, tot rust.
 Als het kind merkt dat je aandachtig luistert, wordt het vaak rustiger. Door te luisteren naar wat het kind zegt en niet zozeer naar hoe het spreken verloopt, heb je wellicht de beste houding.

Hoe reageer je op bijkomende stottergedragingen zoals vluchten?
 Veelvuldig ‘wegvluchten’ van het stotteren kan negatief zijn omdat het kind uiteindelijk de confrontatie met zijn stotteren niet meer zal durven aangaan en daardoor steeds minder zal praten.
 Probeer vluchtgedragingen op te merken, er alert voor te zijn. Indien je merkt dat het kind telkens kiest voor ‘vluchten’, praat er dan over met de ouder of neem contact op met de therapeut.

Verdere informatie


We hopen met onze infobrochure een aantal vragen die je wellicht had, beantwoord te hebben.
Uiteraard is deze informatie beperkt. We proberen zo vlug mogelijk een overlegmoment te plannen over het stotterend kind dat bij jou in de klas zit.
Voor meer informatie kan je steeds bij ons terecht:
Ann Braem
Elien Haegeman
Hilde Buydens
Ine Goeminne
Martine Verheye
het stotterteam van het Centrum voor Ambulante Revalidatie

BRON: https://www.caroostakker.be

Social media & sharing icons powered by UltimatelySocial